De opdrachtgever. Een opdracht kan pas slagen als de eindgebruiker er zich goed in voelt. Zijn programma van eisen is een middel om architectuur te maken. De opdrachtgever leren kennen en hem tijdens de ontwerpfase begeleiden in zijn persoonlijke zoektocht naar architectuur is des te belangrijker. Er bestaan immers geen kant en klare oplossingen. De architect geeft vorm aan de ruimte, werkt met perspectieven, licht, kleur en texturen, waarbij conceptuele zuiverheid mee de basis vormt. Deze benadering van een opdracht, samen met de context, resulteert in projecten met een eigen identiteit, niet in projecten met een herkenbare stijl.
De context. Een goed ontwerp past zich naadloos in in zijn omgeving. De context is daarom het vertrekpunt van elke voorstudie. Zij is in min of meerdere mate (cultuur)historisch beladen en heeft een grote maatschappelijke waarde. Ingrijpen in een historische context behelst het versterken van oorspronkelijke elementen, maar ook vervangen van wat opgebruikt is. Nieuwe elementen gaan een dialoog aan met de omgeving. Integer en hedendaags bouwen is het uitgangspunt.
Duurzaamheid. De architect informeert en sensibiliseert de opdrachtgever om hier de juiste toekomstgerichte beslissingen te nemen. Een gebouw is a priori rigide, waardoor de ontwerpfase uiterst belangrijk is. Duurzaamheid gaat over rationeel (hernieuwbaar) materiaalgebruik, een doordachte constructie, oriëntatie en (energie)zuinigheid. Voortdurende studie van nieuwe materialen en technieken is inherent aan ons kantoor.
Budget, planning en controle. Het budget bepaalt de eerste ontwerpschetsen en wordt in alle bouwfasen teruggekoppeld. Duurzame investeringen verdienen zich op korte termijn terug en leveren op lange termijn een meerwaarde op. Samen met het opmaken van een realistische planning en een adequate werfcontrole worden verrassingen vermeden en kwaliteit gewaarborgd.